Poezje Den Gulden Winckel der Konstlievende Nederlanders (1613) Hymnus ofte Lofgesangh over de wijdberoemde scheepvaert der Vereenigde *Nederlanden (1613) Vorstelijcke warande der dieren (1617) Op de jongste Hollantsche Transformatie (1618) De Helden Godes (1620) Het lof der zeevaert (1623) Geboortklock van Willem van Nassau (1626) Bruyloftbed van P.C. Hooft en Helionora Hellemans (1627) Rommelpot van 't Hane-kot (1627) Verovering van Grol door Frederick Henrick, Prince van Oranje (1627) De Rynstroom (1630) Roskam (1630) Harpoen (1630) Een otter in 't bolwerck (1630) Geuse-vesper (1631) Decretum horribile (1631) Op Huygh de Groots verlossing (1632) Inwying der doorluchtige Schoole t'Amsterdam (1632) Kinderlijck (1632) Uitvaert van mijn dochterken (1633) Lyckklaght aan het Vrouwekoor, over het verlies van mijn ega (1635) Brieven der Heilige Maeghden, Martelaressen (1642) Aen de Beurs van Amsterdam (1643) J.J.
Źródło i licencja
Fragment artykułu Wikipedia — Joost van den Vondel · historia autorów.
Tekst: CC BY-SA 4.0. Wydzielono fragment z dłuższego artykułu.